Basis Muziektheorie

Uit hoeveel tonen bestaat onze westerse muziek?

Als basisprincipe: Muziek bestaat uit 12 tonen —> Uit die 12 tonen worden 7 tonen gehaald om een toonladder te maken (do re mi fa so la ti, de majeurtoonladder) —> Uit die 7 tonen worden 3 tonen gehaald om een akkoord te maken (do mi so, het majeurakkoord).

Intervallen

Er zijn twaalf verschillende noten in traditionele muziek: C, C#/Db, D, D#/Eb, E, F, F#/Gb, G, G#/Ab, A, A#/Bb, en B. Na de B komt de C een octaaf hoger dan de eerste C, en deze cyclus herhaalt zich. Deze sequentie wordt de chromatische toonladder genoemd. Iedere stap in deze toonladder wordt een halve stap of semi-toon genoemd. De interval (afstand) tussen twee noten wordt gedefinieerd door het aantal halve stappen er tussen. Twee noten met een onderlinge afstand van een halve stap, zoals C en C#, vormen de interval mineur (kleine) secunde. Noten met een afstand van twee halve stappen vormen de majeur (grote) secunde. Dit wordt ook een hele stap genoemd. Als we d.m.v. halve stappen verder uitbreiden krijgen we de resterende intervallen: kleine terts, grote terts, reine kwart, tritonus, reine kwint, kleine sext, grote sext, kleine septiem, grote septiem, en tot slot, het octaaf.

De meeste van deze intervallen hebben ook andere namen. Bijvoorbeeld, een tritonus wordt soms ook een overmatige kwart genoemd als de notenspelling een kwart blijkt te beschrijven. Bijvoorbeeld, de tritonus interval van C naar F# wordt een overmatige kwart genoemd omdat de interval van C naar F een reine kwart is. Omgekeerd, als de spelling van de noten in de interval een kwint blijkt te beschrijven, dan wordt de tritonus soms een verminderde kwint genoemd. Bijvoorbeeld, de tritonus interval van C naar Gb, die eigenlijk het zelfde is als de interval van C naar F#, wordt een verminderde kwint genoemd, omdat de interval van C naar G een reine kwint is. Over het algemeen, als een groot of rein interval wordt uitgebreid met een halve stap door het veranderen van een accident (de mol- of kruisindicatie op de noot), wordt het resulterende interval overmatig genoemd, en als een klein of rein interval wordt verminderd met een halve stap door het veranderen van een accident, wordt het resulterend interval verminderd genoemd.

Majeur En Mineur Toonladders

Alle toonladders zijn simpelweg subgroepen van de chromatische toonladder. De meeste toonladders hebben 7 verschillende noten (heptatonisch), hoewel sommigen er 5 (pentatonisch), 6 (hexatonisch) of 8 (octatonisch) hebben. De meest simpele toonladder, die gebruikt wordt als voorbeeld voor de discussie over akkoorden, is de C majeur toonladder met de tonen C, D, E, F, G, A, B. Een majeur toonladder wordt gedefinieerd door de intervallen tussen deze noten: “2 2 1 2 2 2 (1)”, waar “2” een hele stap vertegenwoordigt en “1” een halve.
 Dus, een G majeur toonladder is “G, A, B, C, D, E, F#”, met een halve stap leidend naar de G die het volgend octaaf begint.

De toonladder bestaande uit de zelfde noten als de C majeur toonladder, maar beginnend op A (“A, B, C, D, E, F, G”) is de A mineur toonladder. Dit wordt de relatieve mineur (ook wel natuurlijke mineur) van C majeur genoemd daar het een mineur toonladder is, opgebouwd uit de zelfde noten. De relatieve mineur van iedere majeur toonladder wordt gevormd door de zelfde noten te spelen, beginnend op de zesde noot van de majeur toonladder. Dus, de relatieve mineur van G majeur is E mineur.

Van een stuk dat gebaseerd is op een bepaalde toonladder wordt gezegd dat het in de toonsoort van die toonladder staat. Bijvoorbeeld, een stuk gebaseerd op de noten C, D, E, F, G, A en B staat in de toonsoort van ofwel C majeur of A mineur. De akkoordenprogressie van het stuk maken het onderscheid tussen de twee. Vergelijkbaar, een stuk gebaseerd op de noten G, A, B, C, D, E en F# is zowel in G majeur als in E mineur. Als het woord “majeur” of “mineur” is weggelaten, wordt aangenomen dat het “majeur” is. De mollen en kruizen in een toonladder definiëren de voortekens van de geassocieerde toonsoort. Dus is de voortekening van G majeur: F#.

Probeer diverse majeur en mineur toonladders te spelen. Je kan ze dan uitschrijven wat je zeker bij de complexere toonladders zou moeten doen. Luisteraars zouden voldoende van iedere toonladder geprobeerd moeten hebben om bekend te raken met de klank. In veel gevallen is één toonsoort voldoende. Uitvoerenden moeten iedere toonladder in alle twaalf toonsoorten over het gehele bereik van hun instrument oefenen tot ze over allen volledige beheersing hebben. Hoewel, raak zo niet verstrikt in de diverse toonladders dat je gefrustreerd wordt en nooit vordert naar het toepassen van de theorie. Begin direct met toepassen zodra je enige controle hebt over de dorische, mixolydische en locrische modi.

Akkoorden

Een akkoord is een vaste reeks van noten, doorgaans tegelijkertijd gespeeld, die een zekere harmonische relatie met elkaar hebben. Het meest fundamentele akkoord is de drieklank. Een drieklank, zoals de naam impliceert, is opgebouwd uit drie noten, gescheiden door terts intervallen. Bijvoorbeeld, de noten C, E en G samen gespeeld vormen een C majeur drieklank. Zo genoemd omdat de drie noten uit het begin van de C majeur toonladder komen. De interval van C naar E is een grote terts, en van E naar G een kleine terts. Deze intervallen definiëren een majeur drieklank. Een G majeur drieklank is opgebouwd uit G, B en D; andere majeur drieklanken zijn vergelijkbaar geconstrueerd.

De noten A, C en E vormen een A mineur drieklank, zo genoemd omdat de noten uit het begin van de A mineur toonladder komen. De interval van A naar C is een kleine terts en van C naar E een grote terts. Deze intervallen definiëren een mineur drieklank. Een E mineur drieklank is opgebouwd uit E, G en B; andere mineur drieklanken zijn vergelijkbaar geconstrueerd.

De andere twee types drieklanken zijn de verminderde drieklank (dim of º) en de overmatige drieklank (aug of +). Een verminderde drieklank is als een mineur drieklank, maar de grote terts bovenop is verminderd tot een kleine terts. Dus, een A verminderde drieklank wordt gevormd door het veranderen van de E in een A mineur drieklank, in een Eb. Een overmatige drieklank is als een majeur drieklank, maar de kleine terts bovenop is vermeerderd naar een grote terts. Dus een C overmatige drieklank wordt gevormd door het veranderen van de G in een C majeur drieklank, in een G#. Onthoud dat een verminderde drieklank gevormd kan worden door drie noten uit de majeur toonladder; bijvoorbeeld, B, D en F van C majeur. Toch zijn er geen natuurlijk voorkomende overmatige drieklanken in de majeur of mineur toonladders.

Een drieklank kan uitgebreid worden door bovenop meer tertsen toe te voegen. Bijvoorbeeld, neem de C majeur drieklank (“C E G”) en voeg B toe, dan heb je een majeur septiem akkoord (Cmaj7 of CM7 of C∆), zo genoemd omdat de noten uit de C majeur toonladder komen. Vergelijkbaar, als je een A mineur drieklank hebt (“A C E”) en voeg G toe, dan heb je een mineur septiem akkoord (Am7 of A-7), zo genoemd omdat de noten uit de A mineur toonladder komen. Het meest gebruikte type septiem akkoord in klassieke harmonie is weliswaar de dominante septiem, die wordt verkregen door een kleine septiem toe te voegen aan de majeur drieklank, gebouwd op de vijfde noot van de majeur toonladder, ook genaamd de dominant. Bijvoorbeeld, in de toonsoort C majeur is G de vijfde noot, dus een G majeur drieklank (“G B D”) met een septiem toegevoegd (F) is een dominant septiem akkoord (G7).

Deze drie types van septiem akkoorden hebben een zeer belangrijke relatie tot elkaar. In iedere majeur toonsoort, bijvoorbeeld C, is het akkoord dat op de tweede, derde en zesde stap van de toonladder gebouwd is, een mineur septiem akkoord; het akkoord dat op de vijfde stap van de toonladder is gebouwd, is een dominant septiem akkoord; en het septiem akkoord dat is gebouwd op de grondtoon (Eng.: root) van de toonladder, ook genaamd de tonica, is een majeur septiem akkoord. Net zoals het akkoord gebouwd op de vierde stap, genaamd subdominant. 
Romeinse cijfers worden vaak gebruikt om graden van toontrappen aan te geven, met hoofdletters voor de majeur drieklanken met hun septiemen, en kleine letters voor de mineur drieklanken met hun septiemen. De sequentie Dm7 – G7 – Cmaj7 in de toonsoort C kan dus aangeduid worden als ii-V-I. Dit is een zeer vaak gebruikte akkoordenprogressie in jazz. De beweging van grondtonen (roots) in deze progressie is opwaarts met een reine kwart, of, equivalent, neerwaarts met een reine kwint. Dit is een van de sterkste resoluties, ook in klassieke harmonie.

Septiemen kunnen ook toegevoegd worden aan verminderde drieklanken of overmatige drieklanken. In het geval van een verminderde drieklank kan de toegevoegde terts zowel een kleine terts zijn, resulterend in een vol verminderde septiem (bijvoorbeeld, A C Eb Gb, of Adim) of een grote terts, resulterend in een half verminderde septiem (bijvoorbeeld, B D F A, of Bm7b5). Een kleine terts kan toegevoegd worden aan een overmatige drieklank, hoewel dit een sporadisch gebruikt akkoord is dat geen standaard naam heeft in de klassieke theorie. Een grote terts aan een overmatige drieklank toevoegen zou een septiem akkoord enkel in naam creëren, daar de toegevoegde noot een duplicaat is, een octaaf hoger dan de grondtoon van het akkoord. Bijvoorbeeld, C E G# C. Technisch gesproken is de septiem een B# in plaats van een C, maar in moderne stemsystemen zijn dit dezelfde noten. Twee noten die verschillende namen hebben maar dezelfde toonhoogte, zoals B# en C of F# en Gb, worden enharmonisch genoemd. Klassieke theorie is nogal punctueel wat betreft de correcte enharmonische spelling van een akkoord, maar in jazz (en pop) wordt vaak de meest geschikte spelling gebruikt.

Meerdere extensies in alle soorten septiem akkoorden kunnen gecreëerd worden door meer tertsen toe te voegen. Bijvoorbeeld, het C majeur septiem akkoord (C E G B) kan uitgebreid worden naar een C majeur negen door D toe te voegen. Deze verdere extensies, en alteraties gevormd door ze een halve stap te verhogen of verlagen, zijn de handelsmerken van jazz harmonie. Terwijl er bijna een oneindige variëteit van mogelijke akkoorden is kunnen de meeste in jazz gebruikte akkoorden geclassificeerd worden als zowel majeur akkoorden, mineur akkoorden, dominante akkoorden of half verminderde akkoorden. Vol verminderde akkoorden en overmatige akkoorden worden ook gebruikt maar meer als substituten van een van deze vier fundamentele types akkoorden.

De Kwintencirkel

De interval van de reine kwint is betekenisvol op vele manieren in muziektheorie. Veel mensen gebruiken een gereedschap genaamd de kwintencirkel om deze betekenis te illustreren. Teken een cirkel waarin de omtrek verdeeld is in twaalf gelijke delen, eigenlijk net zoals een klok. Zet de letter C bovenaan de cirkel, label de andere punten met de klok mee: G, D, A, E, B, F#/Gb, C#/Db, G#/Ab, D#/Eb, A#/Bb en F. De interval tussen alle naast elkaar liggende noten is een reine kwint. Zie hoe iedere noot van de chromatische toonladder precies één keer is vertegenwoordigd in de cirkel.

De kwintencirkel kan ook toonladders definiëren. Iedere set van zeven opeenvolgende noten kunnen gearrangeerd worden om een majeur toonladder te vormen. Iedere set van vijf opeenvolgende noten kunnen gearrangeerd worden om een pentatonische toonladder te vormen. Indien de labels van de kwintencirkel gezien worden als akkoordnamen, vertonen zij een neerwaartse grondtoonprogressie van een reine kwint, tegen de klok in. Deze grondtoonbeweging is reeds bekend als zijnde de krachtigste resoluties die er zijn, speciaal in de context van een ii-V-I akkoordenprogressie. Bijvoorbeeld, een ii-V-I progressie in F is Gm7 – C7 – F, en de namen van deze drie akkoorden kunnen gelezen worden uit de kwintencirkel. Men kan ook de noot vinden op een tritonus afstand van een bepaalde noot door simpelweg diametrisch over de cirkel te kijken. Bijvoorbeeld, op tritonus afstand van G is Db en deze bevinden zich recht tegenover elkaar. Handig voor tritonus substituties.

600px-Circle_of_fifths_deluxe_4.svgKwintencirkels met toegevoegde relatieve mineur aan de binnenkant van de cirkel, zoals de hier getoonde Wikipedia versie, zijn nog handiger omdat ieder akkoord van een te bepalen majeur toontrap als het ware gegroepeerd per toonsoort tegen elkaar aanliggen en daarmee een hulpmiddel bij het componeren kunnen zijn.

Tot Slot

Prachtig als je muziektheorie beheerst, maar het grootste probleem waar mijn studenten mee worstelen is van ritmische aard. Het besef waar zich de noten en rusten bevinden in een maat. De importantie van ‘tellen tijdens het spelen’ wordt danig onderschat en moeilijk gevonden. Toch valt het te leren door bv. het tempo drastisch te verlagen. Als het dan uiteindelijk lukt schroef je het tempo langzaam weer op.
Duidelijk het onderscheid kunnen laten horen tussen noten óp en tússen de tellen (syncopen), met de nodige accenten in bv. 1 eeee , maakt het verschil tussen een goede en een slechte band of muzikant.

Een laatste tip: houd je niet enkel bezig met Hollandse/Europese muziektheorie. Behalve misschien als je enkel die stijl ambieert. Hoewel, zelfs voor klassiek gitaar was de innovatieve Uruguayaanse maestro Abel Carlevaro, met zijn revolutionaire kijk op gitaarhouding om rugklachten op lange termijn te voorkomen, één van de betere docenten.
Ondanks onze rijke klassieke muziekcultuur is er tegenwoordig veel meer informatie beschikbaar in het Engels (vergelijk Engels- en Nederlandstalige Wikipedia pagina’s en je weet wat ik bedoel). Daarbij heeft muziektheorie zich vanaf begin 1900, via de intrede van nieuwe muziekstijlen zoals jazz, blues, ragtime, ontwikkeld naar de moderne tijd, inclusief het breken van vele klassieke harmonie regels en wetten. Denk bijvoorbeeld aan het vermengen van grote en kleine terts, blue notes, parallel bewegende kwinten e.d..
Oh ja… wat parallel betreft, in Holland wordt van oudsher stug volgehouden dat bijvoorbeeld E mineur de ‘parallelmineur’ is van G majeur. Hoe wordt G mineur dan genoemd…? Ook ‘parallelmineur’ heb ik eens gelezen. Een stuk logischer en praktischer is de Amerikaanse/Engelse wijze: E mineur is de relatieve mineur van G majeur want ze delen dezelfde toonladder. De parallelle mineur van G majeur is G mineur want ze beginnen vanaf dezelfde grondtoon.

Enkele ‘myth busters’ voor de beginnende gitarist:
1. Het is niet “Een Aap Die Geen Bananen Eet” maar “Elf Bananen Gaat Die Aap Eten”. Kijk maar naar de volgorde van de snaarnummers op je cliptuner tijdens het stemmen. Dat communiceert een stuk prettiger met goed geïnformeerde mede gitaristen.
2. Het brug vs kam probleem. Laat je niets wijsmaken: de brug is die achter het klankgat, bij de aanslaghand, en die hoeft niet persé inkepingen (Eng.: slots) voor de snaren te hebben. De onderlinge snaarafstanden worden daar, zeker bij akoestische gitaren, bepaald door de snaarhouders. En de kam is die bij de stemknoppen, bij de frethand, mét inkepingen net zoals een echte kam… Ja inderdaad, dat weet ik nog ;). In Nederland wordt dat nog stug omgedraaid. Lastig als je een brugzadel nodig hebt: “Verkoopt u ook kamzadels?”

 

Rob Haccou (met dank aan Marc Sabatella en Wikipedia voor de mooiste kwintencirkel)

Back To Top

2 gedachten over “Basis Muziektheorie”

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *